Gedichten

De waslijn

 

Twee lakens hangen aan de lijn

Wat wapperen wij fijn

Jij bent wel klein

Ik ben geen laken, ik ben een theedoek

Naast jou is er één heel erg druk aan het wapperen, is dat een zakdoek?

Ja! Heb je die bolle gezien? Hij schudt keer op keer

Dat is een overal, die bolle meneer

Daar word ik bang van, houd op met dat geklapper

Kan ik niks aan doen, de wind zorgt ervoor dat ik wapper

Pas nou op en houd op met dan dat gebonk

Je mept tegen de druivenstronk

Blijf rustig hangen,

Aan een lijn tussen twee stangen

Daar komt de vrouw

Ze gaat eerst voelen bij jou

Misschien zijn wij al droog en gaat ze ons strijken

Om weer in de kast te prijken

rug aan rug

Kreukels verdwijnen met de hete bout, heel vlug

“Daar heb ik geen last van”, zegt de bolle meneer.

“Ik kom straks weer onder de olie en smeer.”

Volgens mij is het slipje gekrompen

Die gooien ze bij de oude lompen

Nee, hij heeft niet meer stof

Hij heeft niks te willen

Tegenwoordig hebben ze niks om de billen

De lange onderbroek met stof om de benen

Is die helemaal verdwenen?

Wij liggen straks weer op bed

Keurig en net

Ruikend naar de frisse buiten lucht

Zakken wij naar beneden met een diepe zucht.

Glad en strak

Kom ik weer in de man z’n pak

Met mij worden

de borden

Glanzend zonder strepen

Daarna word ik uitgeknepen

De tanga verdwijnt tussen de billen

Daar ben ik voor gemaakt, ik zou niet anders willen.

Tot een volgende keer

Ja, tot een andere keer maar weer.

Dan gaan we weer wapperen

en klapperen.

Meneertje Koekepeertje

Meneertje koekepeertje 

Lekker weertje

meneer Koekepeertje

Ik kan niet slapen

Moet steeds gapen

Er zit een mon…,

Wat, Honnepon?

Er zit een monster

Met de handen voor z’n ogen zegt hij: “Ik ben bang.

Ik hoor steeds óe, grr…, pss..!

Dan is het weer even stil en dan hoor ik het weer!”

Nu vraagt Meneer Koekepeer

“Waar zit het monster dan, Honnepon?” 

“Ik hoor: oe, grr…, aa…, pss…!”

Samen lopen naar de afwasmachien

En tellen tot tien

Meneertje koekepeertje trekt het deurtje

Er komt een heerlijk geurtje

Van zeep komt in de neus van Honnepon

Heel stilletjes gluurt Honnepon vanachter langs meneertje koekepeertje z’n benen

Hij staat te wiebelen op de tenen

Meneertje koekepeertje zegt: 

Zullen we kijken waar hij zit

"Ik ren naar de kamer,

Ik was bang!"

Meneertje koekepeertje komt naar de kamer en zegt: "Als we nu het licht aan doen helpt dat misschien?"

Nee niks te zien.

Hè gelukkig. Dan kun je weer gaan slapen.

Honnepon ga maar lekker slapen.

 

De Reus

 

Er staat een reus

Maar niet heus

Het is ‘De Wachter’, de molen van Zuidlaren

Waar het bootje van Berend botje naar toe ging varen

Hij omarmd menig mens

Hij heeft maar één wens

Doe de dingen die je doet

Met een lach en een vrolijke toet

Laat al je zorgen de vrije loop

Krijg in en bij de molen weer nieuwe hoop.

De molen houdt van iedereen

Hij vergeet er niet één.

Dik, dun, arm of rijk

In de molen is iedereen gelijk

Veel plezier vandaag. Geniet van deze dag

Het mag.

Moedershart

 

 

Moedershart huilt

Tranen in haar ogen

Zonder levenslust

Tranen blijven stromen

Als ik haar tere wangetje kus

De moed laat ze zakken, dat doet mij pijn

Heeft geen zin meer

Ze wil zo graag naar de Heer

Pijn, zoveel pijn

Mijn lieve mama

De oude boerin

Ik ben trots op jou

Zelfs deze woorden

Komen bij haar er niet meer in.

Samen huilen is fijn

Knuffelen is haar enige troost

Elkaar vasthouden, even geen woorden

Zij die in een wonder gelooft.

De bruiloft in het dierenbos!

 

 

Daar komt het bruidspaar

met voorop mevrouw Ooievaar

als ambtenaar

van het bos,

op het zachte mos.

Tussen de bomen

zijn alle dieren bijéén gekomen.

Laten we juichen

en voor het bruidspaar buigen.

Is er iemand op tegen,

die telt maar even tot negen.

De leeuw brult:

“Nog even geduld!”

Kobus schildpad

komt net uit de stad.

“Het was druk, er stond een file,

een rij met duizend wielen.” 

Ollie de olifant

stapt over het land.

“Moet je kijken”, zegt de Leeuw

met een geeuw.

“Daar komt Ollie,

Ollie met een lolly!”

Giraf Langnek loopt in een draf

naar Jozef haar vriend, de giraf.

Hij loopt in een pak

en voelt zich op zijn gemak.

“Wij gaan trouwen,

omdat wij van elkaar houden.

Om klokslag zeven

gaan wij elkaar het jawoord geven.

Onder de boom van Kabouter Binky Bim z’n oom,

daar eten we taart met room.”

 

 

“Iedereen klaar!”,

roept mevrouw Ooievaar.

“De twee giraffen

beginnen te blaffen.

Ollie is aan het miauwen.

De kikker krijgt klauwen.

De worm

krijgt een rare vorm.

Iedereen zit naar de leeuw te staren,

hij verliest al zijn haren.

Wat is er aan de hand

in het dierenland?

Wat gek? Niemand snapt er iets van.

Hoe dit kan?

 Mevrouw ooievaar haar snavel

lijkt wel een wafel. 

Kabouter Binky Bim

is slim.

Hij denkt goed na,

hij heeft een oplossing in een la

van zijn stoel,

zijn paddenstoel.

Kabouter Wout

was heel stout.

Hij heeft verandersap door de ranja gedaan

Kabouter Binky Bim kijkt Ollie aan.

Hij vraagt: “Ollie?”

“Jij heb jij een toverlolly?”

Geef aan alle dieren van het bos

op het zachte mos,

een toverlolly!”

Olifant Ollie,

geeft aan alle dieren een toverlolly.

De toverlolly maakt alle dieren weer gewoon.

Mevrouw Ooievaar klimt op de troon.

 

“Dames en Heren! van het dierenbos

op het zachte mos.

Na het jawoord van Langnek en Jozef de giraf

lopen we straks in draf

naar het meer

daar zien we elkaar weer.”

Iedereen heeft plezier!

Zelfs Suus de mier

is vandaag niet aan het schoonmaken,

zij laat de dansvloer kraken.

 

“Bedankt!”, fluisteren de giraffen.

Die niet meer blaffen.

 

Gelukkig is de leeuw niet meer kaal,

En heeft mevrouw Ooievaar weer een gewone snavel.

Geen wafel.

De mol

kruipt in z’n hol.

De worm

heeft weer een goede vorm.

Ollie tettert niet meer door het bos

op het zachte mos.

Alle beesten

stoppen met feesten

iedereen begint te gapen.

“Straks lekker slapen!”

“De slaap zal zo wel komen.

Ga maar lekker dromen!”

 

“Welterusten alle dieren van het bos

op het zachte mos!”

Emma

Emma, een heksje van negen

Kwam zwarte piet tegen

Ze vroeg: “Heb je professor Grunschnabel gezien?”

“Gruns watte?”, zegt Piet, “nee die heb ik niet gezien!”

“Dat is die professor van het ijs met kokos.

Ik maak ijs van muizenkeutels met snot op bedje van mos.”

“Professor Grunschnabel!”, roept Emma, “ik heb een lumineus idee,

ik laat het u zien, ga met mij mee.”

Emma trekt professor aan haar hand

 mee door het bos en weiland

Op haar bezemsteel

vliegen ze naar haar kasteel

Professor kijkt erg verbaasd in de kelder.

Hij poetst eerst zijn glazen helder.

Het pruttelt en het borrelt in een kookpot

“Ik kook snot!”

“Wat een herrie! Wat een kabaal!”

Veel glazen potten, slangen en stangen van staal.

Emma staat op een trap

 en zegt voor de grap:

“Snotijs met hagelslag!”

Ze krijgt de slappe lach.

“Professor hoeveel bolletjes wilt u proeven?”

Voor we weer door de lucht zoeven.

Met mos bedekte mandje

ligt een glinsterend bolletje ijs met een diamanten randje.

“Schitterend, briljant!”

Emma kijkt naar hem en wacht het af.

“O, Emma, wauw! Dit is formidabel!”

Lachend zegt de professor: “Bijna net zo lekker als ijs met kokosnoot van professor Grunschnabel!”

Boekwinkel meneer!

Boekwinkel

 

Zoekt u voor ‘Stilte onder water’ een mooi plekje, meneer?

Naast Verhoef, Noord en Vermeer

O nee! Doe maar daar

In de buurt van Herman en Kluun

Dan ga ik weer verder schrijven in mien tuun

De boeken van Japin en van Fry

Liggen er ook bij

Ik ben ongelofelijk blij

Het is mijn vaders stem

Hij zet mij op de rem

Genieten van letters, woorden en zinnen, het mag

Blijf wie je bent en lach!

gedicht uit: De Toekomst van Mathilda

Voor jou...

voor jou

het kleine wicht

kijk naar boven, dan zie je het licht

dankbaar en blij

kijkend naar de sterren

dankbaar en blij

kijkend naar verren

voel je vrij

weg met die angst en wees niet boos

het verleden stop je in een doos

open je ogen

tranen zullen we drogen

je mag er zijn

het voelt fijn

geniet van de zon op je gezicht

alle zonnestralen voor het kleine wicht

 

Duizend woorden

 

Duizend woorden in mijn hoofd

Niemand die het gelooft

Het spookt daar boven

Het is echt niet te geloven

Miljoenen letters en zinnen

Ik weet niet hoe ik moet beginnen

Regel voor regel zet ik op papier

Het blijft maar malen, hier

Neem de tijd

Dan komt het goed, je krijgt geen spijt

Al die letters en zinnen, draaien in het rond

Letters in mijn hoofd, het wil uit mijn mond

Door het op te schrijven, kan ik er een paar verlossen uit hun benarde positie

Het wordt  leger, het is maar een ietsie pietsie

Automatisch wordt het weer aangevuld

Sommige letters hebben geen geduld

Ze staan te dringen voor de uitgang

Die willen woorden maken, het duurt al zo lang

Rustig aan roept de tijd

Voor je het weet ben je ze kwijt

Dan kan je weer rustig slapen, dus relaxt

De woorden gaan vanzelf in hun context

Neem van mij aan

Dat er vanzelf weer nieuwe woorden in de rij gaan staan.

Bloed

Bloed is rood

Bloed kolkt door het lichaam

Het bloed kolkt als een rivier

De ene keer stroomt het snel

de andere keer langzaam

Bloed stroomt

stromen doet het wel

Bloed is rood

bloed stroomt snel

als een rivier

Stroomt het niet

dan ben je dood

Staat het stil

loopt de rivier leeg

Bloed is rood

stille rivier

wit

stil is wit

doodstil is wit

lijkwit

In de hemel is het wit

stralend wit

lief en zacht zonder

pijn

daar is het fijn.